gedichtendag
- outstanders
- Jan 30, 2014
- 1 min read
De neiging om haar hoofd te draaien naar het gezicht dat ze altijd moeilijk kon verdragen. Het had duizend blikken die haar allemaal verschillende kanten opstuurden. Het gezicht wat je bijna snapte. Waarvan je de vragen bijna kon beantwoorden. Als een Rubik’s kubus waarbij het niet lang meer zou duren voordat de kleuren op de juiste plek belanden. Het gezicht was een groot avontuur wat haar bezighield als een verloren Google Maps.
Er was van alles tegen je te zeggen, tegen je te vloeken. Je was om kapot te schelden. Om stoelen naar te gooien, servies en ziektes. Je was om te beloven dat ze nooit meer terug zou komen. Tegelijkertijd was je om voor je deur te staan. Om aan te bellen en te smeken haar weer binnen te laten. Je was als vergiffenis, eeuwig thuiskomen.
Ze vroeg weleens: ‘Als dit het was? Was je dan gelukkig?’ Ze zakte tegen je aan op de bank, haar laatste sigaret rokend. Op die momenten voelde je je niet meer dan de asbak vol met platgedrukte hulzen. Inhoudloos, als een persoon zonder ziel. Je liet de garantstelling van een lang en gelukkig leven altijd open, wetend dat er niks te geven was.
Zo sluw als tijd kan zijn, ontplooide ze je. Ze scheurde je, pakte je uit. Ze ademde een boodschap die je beloofde nooit meer terug zou komen.
Hoewel je blikken gegraveerd zijn in haar gedachten en ze nooit helemaal weet of ze ooit nog thuiskomt, reed de bus haar herinneringen voorbij. De neiging, om haar hoofd te draaien naar het gezicht dat ze altijd moeilijk kon verdragen.
Comments